Streken !

We hadden het goed thuis maar niet te breed. Zo was er geen auto maar wel twee brommers. Een Monarch voor vader en een Berinni voor moeder. Ook was er telefoon in verband met de bereikbaarheid van vader. Zo fungeerden we ook een beetje als telefoonpunt voor de buurt. Buren mochten ook bellen maar daarvoor moest een dubbeltje in het spaarpotje naast de telefoon.

Gerard zijn vader werkte bij een slagerscombinatie en via hem kwamen wij daar ook aan het werk als vakantiehulpen in pakweg in 1968. We mochten machines afbikken, in de menie zetten en vervolgens aflakken in een passende kleur. Naast machines hebben we ook een kleine kantine geschilderd en een deel van de buitenkant van het gebouw. Het was mooi werk en we verdienden er leuk mee. Maar ja, we bleven ook jong en Gerard en schrijver dezes hadden een teveel aan fantasie.

Zo merkten we op dat de buren een volkstuintje hadden waar nogal wat aardbeienplantjes in stonden met daaraan al redelijk grote groene aardbeien. Wie het bedacht heeft weet ik niet meer maar we besloten de buren een handje te helpen. Zo hebben we aan het einde van ons vakantiewerk, buiten de werktijden en heel erg vroeg in de ochtend, alle aardbeien geschilderd in een heldere kleur rood. Achteraf was dat misschien toch niet zo’n goed idee want het vakantiewerk werd vroegtijdig beëindigd en loon was toch een stukje minder dan afgesproken. Achteraf bekeken was het natuurlijk een rare bedoening maar we hadden er niet bij nagedacht en toch veel gelachen.

Gerard en ik zaten nooit zonder plannen maar soms kwamen ideeën ook naar aanleiding van voorvallen. Zo woonde bij ons in de straat de familie de Dik. De man des huizes genaamd Jan de Dik was een zeer onaangenaam persoon. De man had overal wat op en aan te merken zeker als het om kinderen ging. De Dik woonde in een hoekhuis en zijn tuin was ommuurd met bakstenen en wel zo’n twee meter hoog. Naast de muur liep het voetpad en daarnaast de straat met aan de andere kant ook weer een voetpad. Het gedeelte van die straat leende zich uitstekend voor kinderen om te spelen omdat er weinig verkeer langskwam. Er werd volop getold, geëlastiekt en natuurlijk kantstoep gegooid. Een enkele keer kwam het voor dat er een bal over het muurtje vloog waar dan door de Dik het mes in werd gezet. Zoals gezegd een verschrikkelijke man die wel een lesje kon gebruiken.

Terwijl iedereen in diepe rust was, het was inmiddels ver na twaalven in de nacht, klom ik uit het slaapkamerraam en via het muurtje tussen ons en de buren daalde ik af naar de stoep achter het huis. Zachtjes de schuurdeur geopend en een emmer witkalk gepakt alsmede een blokkwast. Door het pad achter het huis kwam ik achter de woning van de Dik. Gerard die ook ontsnapt was aan zijn slaapkamer was ook al gearriveerd en bewapend, eveneens met een blokkwast. Handig klommen we over de muur elkaar helpend met de attributen en niet lang daarna stonden de ramen van de woning van De Dik wit te kalken. Met behulp van de in de tuin staande trap lukte het ook nog om de ramen op de verdieping een beurt te geven. Zo stil als we gekomen waren gingen we ook weer weg. Operatie “een vrolijke witte Pasen”, het was de ochtend van eerste paasdag, was geslaagd. Gerard ging richting huis en ook ik slaagde erin om via de weg die ik gekomen was weer in mijn slaapkamer te komen. Snel het bed in en nog even slapen. Het lukte niet om snel in slaap te vallen, de opwinding was nog te groot.

Toen ik die ochtend in de woonkamer kwam voor het paasontbijt stond mijn vader voor het raam de straat in te kijken. “Politie bij de Dik” zei hij tegen mijn moeder “Zou er wat gebeurd zijn? ” 

Ik tikte een eitje en hoopte dat het goed af zou lopen maar ik kneep hem als een oude dief.

Sommige mensen in de buurt spraken er schande van terwijl anderen de humor er wel van inzagen. Er was zelfs iemand die vond dat het de Dik zijn eigen schuld was omdat hij altijd wat vitten had op jan en alleman. Naar wat ik later vernam zijn ze beide paasdagen bezig geweest om de witkalk van de ramen en kozijnen te krijgen maar er was verder geen schade.

Veel later vroeg vader of ik ook wist waar die emmer witkalk was gebleven die in de schuur stond. Hij wachtte mijn antwoord niet af maar zei: “Laat zoiets niet weer gebeuren” draaide zich om en beende weg. Aan het schokschouderen kon ik zien dat hij zijn lachen niet kon inhouden en we hebben het er ook nooit meer over gehad.

Gerard en ik deden veel samen. We deelden niet dezelfde school maar wel de hobby musiceren bij hetzelfde harmonieorkest. Er ontstond een hechte vriendschap en zo kwam het ook dat we samen op vakantie gingen naar Terschelling. Eerst op de brommer, hij een Puch en ik een Batavus Whippet, naar Friesland waar ik familie had wonen. Eerst daar een paar nachtjes en dan door naar Terschelling. De brommers zouden achterblijven in Friesland als oom Gurbe ons met zijn bestelwagen naar de boot zou brengen.

We gooiden onze koffers achterin de bus van oom Gurbe en ploften naast hem op de voorbank van de bestelwagen. Na een uurtje sturen naderden we Harlingen en de kade waar de veerboot lag afgemeerd. We gingen niet alleen naar Terschelling, het was smoordruk. Een verkeersagent was drukdoende het verkeer te regelen maar dat ging hem niet zo goed af want het was chaos. Oom Gurbe parkeerde de auto en maande ons snel uit te stappen. We sprongen uit de auto maar zagen tot onze grote schrik dat hij direct na ons uitstappen begon te rijden. Hollend en schreeuwend zagen we de bestelwagen snelheid vermeerderen en uiteindelijk verdwijnen. Sukkel, weggereden terwijl de koffers nog in de auto lagen. Gelukkig hadden we wel de portemonnee in de kontzak dus iets te drinken halen en een kaartje voor de overtocht was geen probleem. Op naar Terschelling.

Op Terschelling aangekomen, bij Oom en Tante die een pension hadden, snel uitgelegd wat er aan de hand was en gelukkig kwamen de koffers de volgende dag toch nog op het eiland.

We vermaakten ons prima op Terschelling maar na een paar dagen was het geld op en moesten we aan het werk om het verdere verblijf te bekostigen. We mochten boten teren, een zeer onaangenaam werkje en volgens mij ook niet gezond maar daarentegen verdiende het best. Met het verdiende geld konden we heel plezierig onze tijd volmaken.

Toch lukte het ons niet om onze gedachten omtrent Jan de Dik vrij te laten. Er moest nog een ultieme daad worden gesteld. We stuurden een spotprent van een goedgevulde jonge vrouw naar de Dik met op de achterkant van de kaart: “van je geliefde Aleida, met kusjes”. Postzegel erop en weg.

Twee weken later reden we de straat in en melden we ons weer thuis. We rekenden op een grootse ontvangst maar zowel vader- als moeders gezicht stond op onweer. Al snel hoorden we dat Jan de Dik ruzie had gehad met zijn vrouw omtrent zijn geliefde Aleida. De politie was erbij geroepen en een van de speurneuzen zag dat de kaart was gepost en gestempeld op Terschelling. Al snel werd de conclusie getrokken dat Gerard en ik daar meer van zouden weten. En met dat verhaal kwam de politie bij ons aan de deur.

Ontkennen had geen zin en de dat deden we ook niet bij de inmiddels weer opgetrommelde politie. We vertelden ons hele verhaal en je kon zien dat de beide politiemannen hun lachen bijna niet in konden houden. Conclusie van het geheel was dat we niet echt slim gehandeld hadden maar er was ook niets strafbaars gepleegd dus voor hun was het afgedaan. Ze zouden hun bevindingen aan de Dik laten weten en wij beloofden om de Dik niet meer lastig te vallen. We hebben woord gehouden.