Over adders en ringslangen

Over Jakop heb ik natuurlijk al het een en ander geschreven maar misschien is het goed om nader kennis met hem te maken want net als Dik Trom was Jakop een bijzonder kind, en dat was hij.

Jakop kwam uit Zwartemeer in Drenthe welk dorp hij steevast Black Lake City noemde. Jakop was sterk, heel sterk. Hij had een beetje de bouw van een Gorilla en daar was hij zich ook bewust van. Niet bepaalt het prototype van een politieman in wording. Toch had Jakop iets in zich dat me aan hem bond. Je zou het vrijgevochten kunnen noemen maar ook iets wat we wel meer zien in het oosten van het land, trouw en gebonden aan je maten.

Ik heb Jakop nooit zien leren maar wat hem verteld werd onthield hij en soms wist hij het al. Dat gebeurde ook in de les bijzondere wetten. De brigadier waar we les van kregen was nogal van het type ik weet het en jij bent dom. In de les verhaalde hij over de wetten die de natuur moesten beschermen en dat er beesten waren die daarin een hoofdrol hadden. Zo waren daar de twee Nederlandse slangen te weten de adder en de ringslang, beiden beschermd. De brigadier begon te slangen te beschrijven en ik zag in een ooghoek Jakop zijn hoofd schudden. Het duurde niet lang voordat ik Jakop met een zwaar Drents accent hoor zeggen: “Ik weet niet wat je beschrijft maar dat zijn in ieder geval geen adder en ringslang”. Nu had je de poppen aan het dansen. Wie hij wel meende dat hij was riep de brigadier en dat hij als hij er geen verstand van had hij zijn opmerkingen voor zich moest houden.  Jakop keek de brigadier nog eens aan en haalde zijn schouders op en hield verder zijn mond.

Er ging een week overheen en we hadden weer bijzondere wetten als les. We zaten nog niet of Jakop stak zijn vinger op. “Ik wol nog effen terug kom’n op verleden wekke van die slang’n”. Terwijl hij dat zei pakte hij een jute zak uit zijn tas en keerde deze om op z’n bureau. Twee slangen kronkelden op de tafel en Jakop pakte er een achter kop en beurde deze op en wees er naar met de vinger van zijn andere hand. “Dit is’n adder en as di-j o biet dan mo’j naar de dokter en die andere, die dut niks”. De brigadier die inmiddels lijkbleek was, net als enkele anderen in de klas, ook ik bleef op gepaste afstand, riep met overslaande stem: “Weg met die beesten”. Met de behendigheid van een stroper liet Jakop de slangen weer in de jutezak glijden terwijl hij mompelde: “Noe he-j t zelf kunn’n zien”.

Jakop moest zijn escapades uit komen leggen bij de directeur maar die begreep hem wonderwel en er zijn geen verdere woorden aan vuilgemaakt. En die brigadier, die bleek niet van de vrouwelijke studenten af te kunnen blijven en verliet de school en we hebben nooit meer wat van hem gehoord.