Mieren en wielrenners

Het gras nog vochtig van de regen en beschenen door een steeds fellere zon maakt het allemaal een beetje klam. Na twee en half uur buffelen in de tuin is het moment aangebroken om eens even te bekomen en waar kan dat beter dan in de schaduw, op het nieuwe tuinbankje voor het huis. Met een bakje stuiter dikke kersen vlei ik me neer op het pas geschilderde hout en met Brainbox op de koptelefoon strek ik mijn benen en neem een luie houding aan. Door de muziek ben ik minder attent op de voorbijkomende motoren enzo en mijn gedachten dwalen af. Eigenlijk heel raar maar mijn gedachten waren wat anders aan het doen dan mijn ogen registreerden. Een beetje doelloos vooruit staren heet dat denk ik. Terwijl ik een kersenpit met kracht in de richting van het gras spuug zie ik op de plek waar deze neerkomt een redelijk grote mier rondscharrelen. Ik denk toch snel een zeven millimeter groot en diep zwart van kleur. Best wel een grappig diertje. Ik zie hem, of is het een haar, druk in verschillende richtingen lopen en kennelijk naar iets op zoek. Ik ontdek geen patroon en het lijkt me dat deze mier nutteloos bezig is. Terwijl de mier rondzwalkt passeert op pakweg een anderhalve centimeter een op een torretje gelijkend wezen. Een beetje groenig met een schild waarvan het dek schittert in het zonlicht en een kleur weergeeft als ware het een vliesje olie op water, schitterend om te zien. Als ik en nieuwe kers in mijn mond steek is het contact met mijn veelkleurig vriend weg. Ik zoek met mijn ogen het gebied af waar ik voor het laatst het beestje zag maar helaas, verdwenen in het niets. Als ik goed kijk op het tegelpad zie ik veel meer kruipsels. Torretjes, althans dat denk ik dat het zijn en mieren, in allerlei maten. Als ik me het niet verbeeld zijn er die elkaar tegenkomen maar een groet zie ik niet en sommigen lijken elkaar te vermijden. Ik vraag me af of er in die wereld van de kleine insecten ook een anderhalve meter regel is, althans een regel om te voorkomen dat ze elkaar besmetten, maar die anderhalve meter zal dan in centimeters of millimeters moeten worden uitgedrukt. Hoe meer ik kijk des te meer zie ik er en komen er meer vragen op me af. Helaas kan ik Godfried Bomans, de schrijver van ‘Eric en het klein insectenboek’ er niet meer naar vragen en zal dus antwoorden moeten vinden op eigen kracht. Rechts van mij ontwaar ik een miertje van hooguit 3 millimeter groot die met een behoorlijke snelheid op mij toekomt. Ik vraag me af hoe snel ik zou moeten gaan om in verhouding, in dezelfde tijd, de afstand van de mier zou afleggen. Ik denk dat ik dan echt de pk’s van mijn motorfiets zou moeten aanspreken. Ik keek nog eens goed en kwam steeds meer in de veronderstelling dat deze mier wist waar hij naartoe onderweg was. In een rechte lijn ergens naar onderweg zonder haperen en alle hordes nemend die hij onderweg tegenkomt. In de lijn der verwachting zou deze mier nog een tweetal grote hordes tegenkomen namelijk mijn klompen die precies haaks stonden op het pad dat de mier volgde. Nu had ik makkelijk mijn voeten, waar de klompen omheen zaten, kunnen weghalen maar ik was te nieuwsgierig wat er zou gaan gebeuren. Dat wat ik bevroedde kwam uit. Het miertje nam de hordes, wel met enige weifeling, maar toch kennelijk met de zekerheid dat het de goede weg was. Even later zag ik het miertje aankomen bij een bergje zand dat als een soort vulkaan zich bevond in de opening tussen twee tegels. Kennelijk het reisdoel van mijn mier die ik daarna uit het oog verloor omdat het rond de vulkaan een komen en gaan was van soortgenoten van mijn exemplaar. Het kon niet anders of dit was de thuishaven van de familie mier. Uit de krater van de vulkaan kwamen een aantal mieren die in slagorde, achter elkaar, in de richting van het grasveld marcheerden. Het waren er zeker tien en ik zag ze verdwijnen tussen de groene sprieten. Mijn aandacht werd getrokken door een bont gezelschap. Allerlei kleuren door elkaar die in slagorde zich voortbewogen over de dijk. Terwijl Brainbox aanving met Sea of Delight op mijn koptelefoon keek ik naar het bonte gezelschap wielrenners. Ik kon niet anders dan denken aan de mieren op mijn pad en had dan toch het vergelijk tussen de insectenwereld en de wereld van de mens. Het lijkt enigszins nutteloos maar toch vooral heel erg leuk. Nutteloos zult u denken, waarom? Ik zal het uitleggen. Ik vroeg eens aan een zo’n voorbij fietsende atleet waar hij vandaan kwam. Het antwoord was helder: “van huis”. En dus vroeg ik waar hij naartoe onderweg was. Dat antwoord was al even helder: “naar huis”. Ik bedoel maar.