De grafkelder !

In de wijk was men bezig met het bouwen van een kerk. Men was al druk bezig met het opmetselen van de muren. Nadat de bouwvakkers waren verdwenen was dit natuurlijk ons domein. Bij de inspectie van ons nieuwe speelterrein vonden we onder een trap in aanbouw een soort opening, mogelijk voor een rooster of zo, waar we naar binnen klommen. We kwamen in een ruimte waarbij de hoogte minder was dan een meter. De vloer bestond uit zand en de muren en zeg maar het plafond bestond uit beton. Toen we een beetje aan de duisternis waren gewend zagen we dat we via allerlei openingen ook in andere ruimtes konden komen alleen was het daar pikdonker. Na ons nieuwe onderkomen te hebben verlaten spraken we af dat we de volgende dag terug zouden komen en dat we thuis op zoek zouden gaan naar kaarsen en lucifers.

De volgende dag en de dagen erop waren we telkens te vinden in de ruimten onder de kerk waarvan wij zeker wisten dat dit grafkelders waren. We hadden een ruimte al helemaal ingericht als ons hol met een tafeltje en kleedje en diverse plaatjes aan de wand. Helemaal ons ding.

Ik weet niet meer welke dag het was maar we zaten met z’n allen in ons hol toen we plotseling voetstappen boven ons hoorden. We hielden ons muisstil maar het kon niet voorkomen dat de hartslag snel omhoog ging. Achter elkaar slopen we richting uitgang toen we een gehamer van je welste hoorden. De uitgang die normaal makkelijk te vinden was omdat daar het licht doorkwam bleek ineens volkomen donker. Op de tast bleek dat er een grote houten plaat voor was gezet. We konden er niet meer uit. Wim dacht dat we er niet meer levend uit zouden komen en deed het bijna in de broek. Er zat niets anders op. Schreeuwen om hulp. Achteraf leek het een eeuwigheid te duren, ons geschreeuw van angst maakte een minuut een uur duurde. Net toen we moed op wilden geven ontstond er een kier waardoor licht binnenkwam. Langzaam werd de houten plaat verwijderd en verscheen er een bezweet en dik hoofd voor de uitgang. Beduusd en zwaar onder indruk kropen we een voor een naar buiten. De man, zwaarlijvig en zeker twee meter groot, stond wijdbeens toe te kijken en brulde “wat is dit voor flauwekul, opdonderen”. We hoefden er niet over na te denken en zetten het op een lopen. Ik weet zeker dat ik de man nog heb horen lachen maar zelf vond ik het niet leuk. Nu na jaren weet ik dat we vertoefden in de kruipruimte en dat de grafkelders waren ontsproten aan onze fantasie en eigenlijk als ik dit schrijf kan ik een glimlach niet onderdrukken.