Buckler blues!

Ik maak even een uitstapje naar mijn privéleven. Met familie in tukkerland, specifiek Enschede, was het logisch om daar af en toe op bezoek te gaan Amersfoort-Enschede is toch al dik 125 kilometer maar als ik de route deed per motor warden het er al gauw 150 tot 170 te rijden kilometers. Hoe dat zat. Ik zal het uitleggen.

Als jongeman vertrok ik vanuit Enschede voor een baan bij de Hermandad in Amersfoort en dus was het logisch dat Amersfoort mijn woonplaats werd. Toch werd er, zoals al geschreven, regelmatig een bezoek gebracht aan de familie in Enschede soms met z’n allen maar ook wel eens alleen. Lekker toeren op de motor.

Het was een zomerse dag, graadje of 28 en vol de zon erop. Via Hoevelaken en Terschuur binnendoor naar Apeldoorn. Daarna Deventer en de oversteek naar de Achterhoek. Die Achterhoek daar had ik wel wat mee. Het was de tijd dat de muzikanten van Normaal in heel Nederland populair waren. Ik was wel een ‘anhanger’ en reed dan ook graag even langs de vaak bezongen dorpen van de Achterhoek en dan ook luidkeels Normaal nummers zingend, behalve als er vliegen waren, dan neuriede ik. Eén keer een vlieg in de keel vond ik wel genoeg.

Zoals het een motorrijder betaamt was ik goed aangekleed maar tjonge jonge wat was het warm. Het was zo warm dat de reuzel me in de bilnaad stond. Trouwens ik was ook wel toe aan wat vocht en zo kwam ik op het idee om door te rijden in de richting van Zelhem. Een bezoekje brengen aan het stamcafé van Normaal.

Toen ik aankwam bij Café ‘de Tol’ was het gelijk duidelijk dat ik niet alleen was. Er stonden diverse motoren voor de kroeg en driewieler van “Kleine Hendrik Hietbrink”. Ik zette de motor op de bok en deed helm af en jas uit. De damp sloeg van het shirt af dat ik eronder droeg. De deur stond open en ik hoefde alleen het gordijn aan de kant te schuiven.

Het was er druk. Smoordruk. Overal motorrijders en een paar oude boeren. Ik herkende “Kleine Hendrik Hietbrink” hij zat aan een tafeltje, de pet nog op, en tegenover hem zat de onvolprezen “Prösh”, de uitbater van café “de Tol”. Op de hoek van de bar was nog een kruk vrij. Ik stiefelde daar naartoe en vroeg aan de jonge boer die de naaste kruk bezet hield of deze nog vrij was. “A-j d’r op goat zitt’n niet meer” sprak deze torenhoge en flink uit de kluit gewassen café bezoeker. Ik ben zelf geen kleintje maar hij torende toch nog een kop boven mij uit en daarbij had hij bovenarmen als van een beroepsworstelaar. Ik verdenk Bennie Jolink ervan dat hij het liedje ‘de beer is lös’ op deze persoon heeft gebaseerd. Nou ja, ik had dorst.

De vrouw achter de bar boog zich naar mij toe en vroeg in onvervalst dialect: “Wat wo-j drinken”. Als rechtgeaarde diender wilde ik niet aan de alcohol en dus vroeg ik of ze ook Buckler hadden. Wat dat was Buckler, vroeg ze mij. Dat is bier zonder alcohol.

Onbegrijpend keek ze me aan en richtte zich tot de ‘Prösh’: “Bennie, den kearl hier wil bier moar gin alcohol. Ho mot ik dat doan?” Waarop de ‘Prösh’ antwoorde: “Gef um moar een gleasken water”.

Inmiddels wist ik alle ogen op mij gericht en er werd bulderend gelachen. Ik ook natuurlijk, als boer met kiespijn. Ik hoefde het glaasje water niet te betalen en met een vluchtig ajuus vertrok ik door de deur richting motor. Ik hoorde nog iemand naroepen:”Nem d’r nog eentje” gevolgd door een lachsalvo.

Toen dat jaar daarop door Youp van ’t Hek ‘Buckler’ in de ban gedaan werd kon ik het alleen maar daar mee eens zijn.